Een waargebeurd verhaal, 1900–1980

Het leven van Theodor Tokarenko

Th. Tokarenko

Dit is het leven van Theodor Tokarenko, verteld als verhaal. Alles wat hier staat komt uit archiefstukken, kranten en de herinneringen van twee families. Waar we niet weten wat Theodor zelf zag of voelde, vertellen we wat zijn reisgenoten in dezelfde weken beschreven. Verzonnen is er niets.

Charkov · 1900

Een jongen van het spoor

Theodor wordt geboren in een land dat nog een tsaar heeft. In Charkov is het 5 februari 1900, volgens de Russische kalender. In de rest van Europa is het dan al 17 februari. Dertig jaar later, als hij Nederlander wordt, schrijft hij nog steeds allebei de data op.

Zijn vader, Victor Pavlovitsj Tokarenko, werkt bij het spoor. Dat is een goede baan in Charkov, een van de grote spoorwegsteden van het Russische Rijk. Hier komen de lijnen samen naar Moskou, de Krim, de kolenmijnen van de Donbas en de Zwarte Zee. Zijn moeder heet Theodora, dochter van een zekere Grigori. Meer weten we niet van haar. Ze sterft voordat haar zoon trouwt.

Theodor is rooms-katholiek, in een stad waar bijna iedereen orthodox is. Hoe zijn jeugd eruitzag, waar hij woonde, of hij broers of zussen had: niemand weet het meer.

Charkov · 1917–1919

De ene dag rood, de andere dag wit

Theodor is zeventien als de revolutie uitbreekt. Daarna wordt het oorlog in zijn eigen stad. Charkov wisselt keer op keer van handen. De ene dag hebben de Roden de stad, de volgende dag de Witten. Wie bij de verkeerde kant hoort, wordt opgepakt of doodgeschoten.

Daarbij komen de ziektes. Vlektyfus, verspreid door luizen, en pokken. Er zijn geen dokters meer en geen medicijnen. Huizen worden met petroleum ontsmet. Mensen wachten dagenlang op stations op een trein die niet komt, en tussen hen in liggen de doden.

In Charkov zit een Nederlander die probeert te redden wat er te redden valt: consul Alphons Uchtman, ingenieur. Omdat Nederland neutraal is, behartigt hij ook de belangen van Polen, Belgen en Fransen. Hij laat zeventien treinen met vluchtelingen en krijgsgevangenen naar de Zwarte Zee vertrekken. Zelf krijgt hij ook vlektyfus, en hij overleeft het.

Theodor heeft een vriend: Kees van den Muyzenberg, zoon van de Nederlandse directeur van een zoutmijn bij Bachmoet. Ze zijn bijna precies even oud. Hoe ze elkaar leerden kennen, weten we niet. Maar die vriendschap gaat zijn leven redden.

december 1919

Weg uit Charkov

Op 12 december 1919 trekt het Rode Leger Charkov binnen. De Witten vluchten naar het zuiden, naar de Zwarte Zee, en met hen tienduizenden burgers. Wie nog weg wil, moet nu gaan.

Theodor krijgt een Pools paspoort, nummer 3369, gedateerd Charkov, 2 januari 1920. Waarschijnlijk via consul Uchtman, die de Poolse belangen behartigt. Zo is Theodor op papier geen Rus meer, maar een Pool, en dus een buitenlander die mag vertrekken.

Bij de zoutmijn vertrekken in de nacht van 22 op 23 december zes mensen in het donker: directeur Van den Muyzenberg, zijn zoon Kees, ingenieur Cornelius Marx en drie anderen. Tien dagen lang rijden ze met paard en wagen door de winterse steppe naar Rostov. Onderweg slapen ze in boerderijen waar tyfus heerst. Terugtrekkende Kozakken beroven wie ze tegenkomen.

Theodor zit waarschijnlijk niet bij hen, maar in de wagon van consul Uchtman, die uit Charkov vertrekt vol ‘familie en kennissen’. In Rostov komen de groepen samen. De familie Van den Muyzenberg schreef later op dat de jonge Rus Theo Tokarenko, de vriend van Kees, met hen meeging.

Rostov – Novorossiejsk · januari 1920

Zesendertig mensen in een goederenwagon

In Rostov regelt Uchtman een goederenwagon. Er gaan zesendertig mensen in, en de helft van de wagon staat vol bagage. Er is geen verwarming, geen wc en geen licht. Drie dagen staan ze op het station in de wind en de kou, wachtend op een locomotief. Rostov is een stad in paniek. In de herinnering van de familie Van den Muyzenberg hangen er lichamen aan de lantaarnpalen.

Eindelijk wordt de wagon aan een trein naar Novorossiejsk gekoppeld. De ochtend daarop valt Rostov in handen van de Bolsjewieken. Ze zijn er net op tijd uit.

Niets werkt meer. Kapotte wagons en locomotieven worden op een zijspoor gezet en nooit meer gemaakt. Om de locomotief te stoken worden de bielzen van zijsporen opgebroken, en volgens de familie Van den Muyzenberg ook telefoonpalen. De machinist heeft altijd een bijl bij zich.

Op de tweede dag merken ze dat hun wagon midden in de steppe is afgekoppeld, tussen twee stations. Een paar speculanten hebben de machinist omgekocht om zonder de rest door te rijden. De Roden komen dichterbij. De stationschef weigert te helpen. Alleen met veel geld en ten slotte met bedreigingen komen ze verder.

Langs de lijn ziet de groep wat Uchtman later in de krant beschrijft. Overal staan treinen vol vluchtelingen, vol tyfuszieken. Op open wagons liggen doden, bevroren, zonder dat iemand ze nog begraaft. Op andere stations liggen de lijken opgestapeld om afgevoerd te worden. In de familie Tokarenko gaat het later zo: hij vluchtte ‘met trein en goederenwagons tussen zieke en dode mensen’.

“Onderweg zagen wij aan verschillende stations treinen met vluchtelingen, waaronder vele typhus-zieken waren. Op open wagens lagen vele dooden.”

Consul A. Uchtman, Algemeen Handelsblad, 2 april 1920
Uchtman's brief over de tocht, in de krant van 2 april 1920.
Uchtman's brief over de tocht, in de krant van 2 april 1920.

9 januari 1920

Achtergelaten op station Ottomanskaja

Ingenieur Cornelius Marx is al ziek als de reis begint. In de wagon wordt hij steeds zieker. Op de avond van 9 januari 1920 sterft hij, midden tussen de anderen, in de wagon. Hij is halverwege de dertig. Van het groepje van vijf waarmee hij kort tevoren nog in Charkov was, leeft nu niemand meer.

Meenemen kan niet. De trein moet door. Directeur Van den Muyzenberg weet de trein een paar uur op te houden. Ze laten het lichaam achter op station Ottomanskaja, aan de spoorlijn naar de Kaukasus, om door vreemden begraven te worden.

Vier weken later, op 6 februari, opent zijn vrouw in Bussum een bericht uit Rusland. In de krant zet ze dat haar man ‘op zijne terugreis naar het vaderland ziek werd en overleed’.

De advertentie van de weduwe van Marx, februari 1920.
De advertentie van de weduwe van Marx, februari 1920.

Novorossiejsk – Constantinopel – Marseille · 1920

Over zee

Novorossiejsk is een haven vol wanhopige mensen. Iedereen wil een plek op een schip, en wie geen geld, papieren of connecties heeft, blijft achter. Weken later volgt hier een panische evacuatie. De groep komt aan boord van een Franse boot naar Constantinopel.

In Constantinopel, bezet door de Geallieerden en volgestroomd met Russische vluchtelingen, blijven ze een paar weken. Hier krijgt Theodor zijn eerste visum. Daarna gaat het per boot naar Marseille. Daar staken de spoorwegen, en een militaire trein brengt ze naar Parijs. Twee dagen later reizen ze door België naar het noorden.

Op 6 maart 1920 komen ze aan in Roosendaal. Theodor is twintig. Hij heeft een Pools paspoort, waarschijnlijk geen geld en waarschijnlijk geen woord Nederlands. Zijn vader en alles wat hij kende, liggen duizenden kilometers achter hem. Voor zover we weten, heeft hij ze nooit meer teruggezien.

Bloemendaal · Blaricum · Amsterdam · 1920–1926

Een kamer bij de barbier

Zijn eerste adres is in Bloemendaal, aan de Verbindingsweg. Daar heeft consul Uchtman een huis. Anderhalve maand later trekt hij naar Blaricum, het dorp waar zijn vriend Kees woont. Hij huurt een kamer bij barbier Post aan de Angerechtsweg en gaat werken bij Schutte, een elektrotechnisch bureau dat monteurs zoekt. Hier leert hij het vak dat hij de rest van zijn leven zal doen.

In oktober 1921 meldt hij zich in Amsterdam bij de vreemdelingenpolitie. Die noteert hem precies: lengte 1,60 meter, blond haar, bruine ogen, rooms-katholiek. Hij zet zijn handtekening: Th. Tokarenko. Zijn adres is Amstel 300, bij Uchtman, en daar werkt hij ook. In juli 1922 richt Uchtman op dat adres zijn eigen installatiebedrijf op, tegenover theater Carré. Dat bedrijf bestaat nog steeds. Theodor moet zijn verblijfspapieren telkens opnieuw laten verlengen.

De Amstel bij de sluizen, rond 1925. Op de achtergrond de rij huizen met nummer 300.
De Amstel bij de sluizen, rond 1925. Op de achtergrond de rij huizen met nummer 300.

Bussum · Hilversum · 1926–1935

Nederlander

In 1926 verhuist hij naar Bussum. Hij is elektricien, en het zijn de jaren van de radio. Op 9 juli 1931 wordt hij bij wet Nederlander. In de toelichting staat kort: van Russische herkomst, als elektricien verdient hij zijn brood, verloofd met een Nederlandse.

Op 10 augustus 1932 trouwt hij in Hilversum met Gijsberta van Putten, zesentwintig jaar, dochter van een overleden Gooise vader. In de trouwakte staat dat zijn eigen vader, Victor Pavlovitsj, nog leeft, in Charkov. Zijn moeder is overleden. Zijn eigen familie is ver weg. De winter daarna breekt in Oekraïne een hongersnood uit die miljoenen mensen het leven kost. Of zijn vader die overleefde, weten we niet.

Op 28 juni 1935 wordt zijn zoon geboren. Hij krijgt de naam Victor, net als zijn grootvader in Charkov. Datzelfde jaar staat Theodor op het voetbalveld, in het elftal van de Bussumsche Radio Centrale.

Hilversum · 1940–1966

Het schaakbord

Sinds februari 1937 woont het gezin aan de Van Oldenbarneveltlaan 24 in Hilversum. Daar blijft Theodor de rest van zijn leven wonen. Over de oorlogsjaren weten we weinig. In 1942 staat hij in het adresboek als chef-monteur, en in 1943 betaalt hij ƒ 6,70 ‘zoengeld’, een heffing uit de bezettingstijd. Na de oorlog duikt hij op in de krant, steeds aan het schaakbord. Hij speelt bij het Hilversums Schaakgenootschap, eerst in de lagere klassen, later in het bestuur. Op de foto van het 65-jarig jubileum in 1952 staat hij tweede van links.

Op zondag 27 december 1959 landen op Schiphol twee Sovjet-grootmeesters: Tigran Petrosjan, de latere wereldkampioen, en Salo Flohr. Hun eerste stop is Hilversum, waar 153 schakers op hen wachten. Namens de club spreekt Theodor hen toe, in het Russisch. Veertig jaar na de goederenwagon praat hij weer zijn moedertaal, met mannen uit het land waaruit hij vluchtte.

Zijn werk doet hij bij N.V. Diode, een laboratorium voor elektronica in Hilversum. Hij wordt er chef-monteur. In juli 1966 krijgt hij de bronzen medaille van de Orde van Oranje-Nassau. De vluchteling met het Poolse paspoort is een gedecoreerd Nederlander geworden.

“De Hilversummer Th. Tokarenko, een HSG-bestuurder die uit Rusland afkomstig is, heette de beide grootmeesters in hun landstaal een hartelijk welkom.”

De Gooi- en Eemlander, 28 december 1959
Het bestuur van het Hilversums Schaakgenootschap, 1952. Theodor staat tweede van links.
Het bestuur van het Hilversums Schaakgenootschap, 1952. Theodor staat tweede van links.

Hilversum · 7 februari 1980

Tien dagen voor zijn tachtigste

Theodor Tokarenko sterft op 7 februari 1980 in Hilversum, tien dagen voor zijn tachtigste verjaardag. In augustus stuurt zijn weduwe Gijsberta de medaille terug naar de Kanselarij.

Wat er overblijft, zijn een paar regels in een register, een handtekening, een krantenfoto en een familieverhaal over een helse tocht in een goederenwagon, tussen de zieken en de doden. En ergens in Charkov, of misschien in Lublin, een doopboek met zijn naam erin, dat nog niemand heeft gevonden.

Bij elk feit in dit verhaal staat op de pagina’s ‘Start’ en ‘Archief’ het originele document, met hoe zeker het is.

Start → · Archief →