Charkov – Rostov – Constantinopel – Roosendaal, 1919–1920
Wie er met Theodor meereisden
Theodor vluchtte niet alleen. Deze vier mensen deelden zijn tocht of maakten die mogelijk. Wat we over hen weten, komt uit archieven, kranten en de eigen verslagen van de familie Van den Muyzenberg.
Het gezelschap
- Theodor Tokarenko1900–1980Elektricien uit Charkov, 19 jaar
- Alphons Johann Christian Uchtmann1885–1971Nederlandse consul in Charkov, redder en later werkgever van Theodor
- Cornelis (Kees) van den Muyzenberg1899–1931Theodors vriend, met wie hij vluchtte
- Leendert Willem van den Muyzenberg1869–1947Directeur van de Nederlandse zoutmijn bij Bachmoet, vader van Kees
- Cornelius Marx† 1920Technisch directeur van de zoutmijn; stierf onderweg

1885–1971
Alphons Johann Christian Uchtmann
Nederlandse consul in Charkov, redder en later werkgever van Theodor
Alphons Uchtmann werd op 22 januari 1885 in Amsterdam geboren, als zoon van een horlogemaker uit Lingen en een moeder uit Keulen. Op zijn negentiende stond hij ingeschreven als elektricien. Later voerde hij de titel ingenieur; waar hij die haalde, is niet bekend. Uiterlijk in 1915 woonde hij in Charkov, met zijn vrouw Valentine Netschaeff uit Dvinsk. Hun twee zoons werden er in 1916 en 1919 geboren.
In de chaos van revolutie en burgeroorlog nam hij het Nederlandse consulaat in Charkov waar. In een later interview vertelde hij dat hij ook Poolse, Belgische en Franse belangen behartigde en zeventien vluchtelingentreinen liet vertrekken. In de winter van 1919–1920 nam hij het initiatief tot de vlucht waarbij Theodor meereisde. Terug in Nederland kreeg hij twee ridderorden, een Nederlandse en een Poolse, en begon hij op Amstel 300 een installatiebedrijf. Theodor woonde en werkte daar van 1921 tot 1926. Uchtmann overleed op 4 december 1971 in Amsterdam, 86 jaar oud.
Vastgelegd
- 1885Geboren in Amsterdam, 22 januaribronBevestigd
- 1916/1919Twee zoons geboren in CharkovBevestigd
- 1919‘Belast met de waarneming van het consulaire agentschap der Nederlanden te Charkof’bronBevestigd
- 1919–1920Organiseert de vlucht naar de Zwarte ZeebronbronWaarschijnlijk
- 1920Brief in de krant over de tocht en de dood van ir. MarxbronBevestigd
- 1921/1922Ridder Oranje-Nassau en Polonia RestitutabronbronBevestigd
- 1922Richt zijn installatiebedrijf op aan de Amstel, tegenover CarrébronWaarschijnlijk
- 1971Overleden in Amsterdam, 4 decemberbronBevestigd
1899–1931
Cornelis (Kees) van den Muyzenberg
Theodors vriend, met wie hij vluchtte
Kees werd op 11 december 1899 geboren bij de zoutmijn van Stoupky, vlak bij Bachmoet, en was dus vrijwel precies even oud als Theodor. Hij groeide op tussen Rusland, Warschau en Blaricum en ging volgens de familie naar de Humanitaire School in Laren. In 1917 reisde hij via Stockholm terug naar Rusland, naar zijn vader. In de winter van 1919–1920 vluchtte hij met zijn vader, consul Uchtman en ‘een jonge Rus, zijn vriend Theo Tokarenko’. In 1921 schreef hij vanuit Hilversum een lange brief aan de weduwe van ir. Marx over de tocht.
Daarna werd hij timmerman en bouwkundig opzichter. Hij verhuisde vaak, van Hoorn en Westwoud naar Best en zelfs Kessel-Lo in België. In 1927 trouwde hij in Hilversum. Op 11 februari 1931 overleed hij in Twisk, pas 31 jaar oud. Waaraan, is niet bekend.
Vastgelegd
1869–1947
Leendert Willem van den Muyzenberg
Directeur van de Nederlandse zoutmijn bij Bachmoet, vader van Kees
Uit Hellevoetsluis vertrok hij in 1888 naar de zoutmijn ‘Peter de Groote’ van de Hollandsche Maatschappij tot Zoutexploitatie in Rusland. Hij werd er commercieel directeur en was een paar jaar Nederlands consul in Warschau. Zijn gezin woonde vanaf 1912 in Blaricum. Na revolutie, gevangenschap en een volkstribunaal vluchtte hij in december 1919. Op 10 maart 1920 was hij weer thuis in Blaricum. Kort daarna ontsloeg de maatschappij hem: de mijn was voor altijd verloren.
Vastgelegd
† 1920
Cornelius Marx
Technisch directeur van de zoutmijn; stierf onderweg
Ingenieur Cornelius Marx was technisch directeur van de zoutmijn. Hij had de Bolsjewieken al twee keer meegemaakt en was door hen beroofd en met de dood bedreigd. Hij vertrok met de Van den Muyzenbergs, werd onderweg ziek en stierf op 9 januari 1920 in de wagon, bij station Ottomanskaja. Zijn vrouw en twee dochters woonden in Bussum.