De vlucht
AchtergrondOp 12 december 1919 nam het Rode Leger Charkov in. De Witte legers trokken zich terug naar de Zwarte Zee, gevolgd door tienduizenden burgers. Langs de spoorlijnen heerste vlektyfus.
BevestigdDe Nederlandse consul in Charkov, ir. A.J.C. (Alphons) Uchtman, vertegenwoordigde als consul van een neutraal land ook de Poolse, Belgische en Franse belangen. Hij liet zeventien treinen met vluchtelingen en krijgsgevangenen naar Odessa en Novorossiejsk vertrekken, vanwaar ze per schip via Constantinopel naar Marseille gingen.[57][16]
BevestigdTheodor's Poolse paspoort, nummer 3369, is gedateerd Charkov, 2 januari 1920.[1]
WaarschijnlijkOmdat Uchtman in Charkov de Poolse belangen behartigde, kwam dat Poolse paspoort vrijwel zeker via hem tot stand. Het verklaart ook waarom Polen hem in 1922 het ridderkruis Polonia Restituta gaf.[57][20]
WaarschijnlijkDe familie Van den Muyzenberg schrijft in haar familiegeschiedenis dat Theodor met hen meevluchtte: ‘Een jonge Rus en vriend van Kees, Theo Tokarenko, reist mee.’ Leendert Willem van den Muyzenberg was directeur van de Nederlandse zoutmijn ‘Peter de Groote’ bij Bachmoet; Kees was zijn zoon, net zo oud als Theodor. Volgens dezelfde familiegeschiedenis nam Uchtman het initiatief tot de vlucht.[49][50]
BevestigdDe ooggetuigenverslagen van de Van den Muyzenbergs vertellen het zo. In de nacht van 22 op 23 december 1919 vertrok een gezelschap van zes van de zoutmijn: Leendert Willem, Kees, ir. Marx en drie anderen. Ze reden tien dagen met paard en wagen naar Rostov. Daar sloten ze aan bij Uchtman, die een spoorwagon had bemachtigd ‘stampvol met mensen’. Rostov viel de ochtend nadat ze vertrokken.[57][17]
HypotheseIn die verslagen staat Theodor niet bij het gezelschap dat van de mijn vertrok. Hij woonde in Charkov. Waarschijnlijk zat hij in de wagon van Uchtman, die volgens Leendert Willem vol ‘familie en kennissen’ zat, en sloot hij in Charkov of Rostov aan.
BevestigdOnderweg zagen ze treinen vol tyfuszieken en doden op open wagons. Ir. Marx werd ziek en stierf op 9 januari 1920 in de wagon, bij station Ottomanskaja tussen Rostov en Novorossiejsk. Zijn vrouw in Bussum hoorde het pas op 6 februari.[17][18][57]
FamilieverhaalZo wordt het in de familie Tokarenko verteld: Theodor vluchtte ‘met trein en goederenwagons tussen zieke en dode mensen’. Het was een helse tocht, en hij ging via Zuid-Europa. De familie plaatst het rond 1917–1918; de documenten wijzen op de winter van 1919–1920.
BevestigdVolgens het dagboek van Erwin van den Muyzenberg ging de reis verder met een Franse boot van Novorossiejsk naar Constantinopel. Daar bleven ze een paar weken; Theodor kreeg er zijn eerste visum. Daarna ging het per boot naar Marseille, waar net een spoorwegstaking was, en met een militaire trein naar Parijs. Via België kwamen ze op 6 maart 1920 in Roosendaal aan.[57][1]
WaarschijnlijkHet vreemdelingenregister noemt een identiteitsbewijs uit Bloemendaal van 17 maart 19.. (het jaartal valt van de pagina). Als dat 1920 is, was dat elf dagen na de aankomst in Roosendaal. Dat Theodor de hele weg met Uchtman en de Van den Muyzenbergs meereisde, past daar precies bij.[1]